Relatieve luchtvochtigheid is een bekende indicator voor binnenklimaat. Toch vertelt “50% RV” op
zichzelf niet of er condensatie kan ontstaan. Voor dat risico is het dauwpunt van de lucht nodig - en de
temperatuur van het koudste oppervlak in de woning.
Relatieve luchtvochtigheid geeft aan hoeveel vocht de lucht bevat ten opzichte van de maximale hoeveelheid
bij die temperatuur. Daarom kan dezelfde hoeveelheid waterdamp bij een andere temperatuur een andere
RV opleveren. Voor een goede beoordeling is absolute vochtigheid - en daarvan afgeleid het dauwpunt - veel
informatiever.
Condensatie ontstaat wanneer een oppervlak kouder is dan het dauwpunt van de binnenlucht. In een goed
geïsoleerde woning ligt die koudste plek doorgaans warmer dan in een woning met veel koudebruggen.
Twee woningen met dezelfde binnentemperatuur en RV kunnen daardoor toch een verschillend
condensatierisico hebben.
ADPC - Adaptive Dew Point Control - koppelt de vochttoestand in de lucht aan de bouwfysische grens van
de woning. Wanneer een vochtpiek het dauwpunt richting de temperatuur van het koudste oppervlak brengt,
kan het ventilatiedebiet tijdelijk toenemen. Zodra de lucht weer veilig onder die grens blijft, kan het debiet
weer terug naar precies genoeg.
Met alleen een RV-doelwaarde kan een regeling te laat of juist onnodig ingrijpen. Door dauwpunt,
temperatuur en de kwetsbaarheid van de constructie samen te beoordelen, ontstaat een betere basis om
gezond binnenklimaat, gebouwbescherming en energiegebruik in balans te brengen.