FAQ

Vind hier veelgestelde vragen over ventilatie en Fresh-r

Waarom worden ventilatieroosters na renovatie soms dichtgezet?

Bewoners sluiten roosters vaak wanneer zij tocht, koudeval, verkeersgeluid of een gevoel van warmteverlies ervaren. Dat is begrijpelijk gedrag, maar het beperkt de toevoer van buitenlucht. Vooral na isolatie en nieuwe, kierdichte kozijnen is een ventilatievoorziening nodig die ook in het dagelijks gebruik comfortabel blijft.

Wat is het gevolg als ventilatieroosters dicht blijven?

Bij te weinig buitenlucht kunnen CO2, vocht en geuren langer in de woning blijven. De gevolgen verschillen per woning en gebruik, maar kunnen bestaan uit een benauwde slaapkamer, hogere luchtvochtigheid en meer kans op condensatie op koude oppervlakken. Goede ventilatie is daarom niet alleen een ontwerpkeuze, maar ook een gebruiksvraagstuk.

Is een raamrooster altijd ongeschikt in een gerenoveerde woning?

Nee. Een raamrooster kan onderdeel zijn van een werkend ventilatieconcept. De cruciale vraag is of bewoners het in de praktijk open laten en of toevoer, afvoer, comfort, geluid en regeling als geheel kloppen. Bij ingrijpende renovatie kan een gebalanceerde, decentrale oplossing een alternatief zijn wanneer kanalen of grote ingrepen ongewenst zijn.

Hoe voorkomt een gebalanceerde decentrale WTW koude lucht bij het raam?

Een decentrale WTW voert gebruikte lucht af en brengt gefilterde buitenlucht gecontroleerd terug. In een gebalanceerde uitvoering vindt de luchtverversing niet primair plaats via een open raamrooster. De warmteterugwinning beperkt het warmteverlies van ventilatie; het concrete comfortresultaat hangt af van ontwerp, inregeling, plaatsing, geluid en gebruik.

Wat is decentrale ventilatie met warmteterugwinning?

Bij decentrale ventilatie wordt een ventilatie-unit dicht bij de ruimte geplaatst die wordt geventileerd. Een uitvoering met warmteterugwinning wisselt warmte uit tussen afvoer- en toevoerlucht. Daardoor kan verse buitenlucht worden toegevoerd met minder ventilatiegerelateerd warmteverlies dan bij ongecontroleerde toevoer via kieren of een open raam.

Waarom past decentrale ventilatie vaak goed bij renovatie?

Bij renovatie is ruimte voor luchtkanalen vaak beperkt en kan het openmaken van plafonds, schachten of woningen veel overlast geven. Een decentrale oplossing kan dan aantrekkelijk zijn omdat de ventilatie dichter bij de ruimte wordt georganiseerd. Of dat de beste keuze is, hangt af van de plattegrond, aantallen ruimten, natte ruimten, gevelmogelijkheden, geluidseisen en onderhoudsstrategie.

Zijn er bij decentrale ventilatie geen luchtkanalen nodig?

Niet altijd. Veel decentrale oplossingen beperken de behoefte aan een centraal kanalennet sterk. Sommige uitvoeringen kunnen juist een korte kanaalaansluiting gebruiken, bijvoorbeeld voor afvoer uit een natte ruimte. Beoordeel daarom per woning en uitvoering welke doorvoeren en verbindingen nodig zijn.

Geeft decentrale ventilatie minder overlast tijdens renovatie?

Dat kan, omdat er minder lange kanalen door een gebouw nodig zijn. De feitelijke overlast wordt echter bepaald door onder andere geveldoorvoeren, elektrische voorzieningen, herstelwerk, bereikbaarheid en de gekozen fasering. Een goede opname en uitvoeringsplanning blijven noodzakelijk.

Is 50% relatieve luchtvochtigheid altijd goed?

Nee. Relatieve luchtvochtigheid (RV) geeft aan hoe vol de lucht bij de actuele temperatuur met waterdamp is. Dezelfde 50% RV kan bij een andere luchttemperatuur een andere hoeveelheid vocht in de lucht betekenen. Voor de kans op condensatie is niet alleen de RV van belang, maar ook de dauwpuntstemperatuur en de temperatuur van het koudste binnenoppervlak.

Wat is het dauwpunt?

Het dauwpunt is de temperatuur waarbij de aanwezige hoeveelheid waterdamp juist begint te condenseren. Koelt een oppervlak af tot onder het dauwpunt van de binnenlucht, dan kan condens ontstaan. Op herhaaldelijk vochtige, koude oppervlakken neemt het risico op schimmelgroei toe.

Waarom is de koudste plek in een woning zo belangrijk?

Condensatie ontstaat lokaal: daar waar het oppervlak het koudst is. Dat kan bijvoorbeeld bij een koudebrug, een aansluiting, een kozijnrand of een vochtiger deel van de bouwschil zijn. Een gemiddelde kamertemperatuur of één RV-waarde vertelt daarom niet op zichzelf of elk binnenoppervlak veilig blijft.

Hoe kan ventilatie helpen om condensatie en schimmelrisico te beperken?

Ventilatie voert vocht uit koken, douchen, was drogen en bewoning af en brengt drogere buitenlucht binnen wanneer de absolute vochtinhoud buiten lager is. Slimme regeling kan het ventilatiedebiet opvoeren wanneer de vochtbelasting stijgt. Ventilatie vervangt geen bouwkundige oplossing voor ernstige koudebruggen of lekkages, maar is wel een belangrijke laag in de beheersing van het binnenklimaat.

Waarom zijn studentenkamers veeleisend voor ventilatie?

Studentenkamers combineren vaak een kleine ruimte met wisselende bezetting, slapen, studeren, douchen of koken in de nabijheid en weinig bergruimte voor techniek. Daardoor kunnen CO2 en vocht snel oplopen wanneer ventilatie niet voldoende of niet consequent aanwezig is. Een oplossing moet dus technisch kloppen én passen bij het dagelijkse gebruik.

Welke binnenklimaatfactoren verdienen in studentenkamers extra aandacht?

Vooral CO2, vocht, temperatuur, geluid en het feitelijke ventilatiedebiet zijn relevant. CO2 is een bruikbare aanwijzing voor bezetting en de behoefte aan verse lucht; vochtbelasting kan lokaal en tijdelijk sterk zijn. De juiste beoordeling vraagt om de ruimte, het gebruikspatroon en de bouwkundige situatie samen te bekijken.

Wat kan een praktijkproject leren dat een laboratoriumtest niet laat zien?

Praktijkprojecten maken zichtbaar hoe een oplossing functioneert met echte bewoners, wisselende bezetting, onderhoud, seizoenen en bestaande bouw. Die ervaringen helpen om installatie, regeling, communicatie met bewoners en onderhoud te verbeteren. Laboratoriumgegevens blijven waardevol, maar beantwoorden niet elke vraag over dagelijks gebruik in een gebouw.

Wanneer is decentrale WTW interessant voor studentenhuisvesting?

Decentrale WTW kan interessant zijn wanneer renovatie in bewoonde staat plaatsvindt, ruimte voor kanalen beperkt is of kamers afzonderlijk moeten kunnen worden aangepakt. De haalbaarheid moet per gebouw worden onderzocht, inclusief gevel, brandveiligheid, geluid, elektra, afvoer uit natte ruimten, onderhoud en beheer.

Wat is het belangrijkste verschil tussen centrale WTW en slimme decentrale WTW?

Een centrale WTW bedient doorgaans meerdere ruimten vanuit één centrale unit via een kanalensysteem. Bij slimme decentrale WTW staat de ventilatie dichter bij de ruimte of het vertrek dat wordt bediend. De unit kan de luchtkwaliteit daar meten en het debiet daarop aanpassen. Het verschil zit dus niet alleen in de plaats van de techniek, maar ook in de mate waarin ventilatie per ruimte kan reageren op werkelijk gebruik, CO2 en vocht.

Is centrale WTW altijd de beste of meest logische oplossing?

Nee. Centrale WTW kan een goede keuze zijn, vooral wanneer er voldoende ruimte is voor kanalen en schachten, de bouwlogistiek dit toelaat en beheer centraal georganiseerd wordt. In bestaande gebouwen kunnen juist plafondhoogte, brandcompartimentering, asbest, beperkte schachtruimte, bewoonde staat of de gewenste fasering een centrale aanpak ingewikkeld maken. Dan is decentrale WTW een serieus alternatief dat per project moet worden beoordeeld.

Zijn de wettelijke ventilatie-eisen alleen op de hele woning gebaseerd?

Nee. De regels voor een woonfunctie kennen eisen voor zowel verblijfsgebieden als verblijfsruimten. Bij nieuwbouw is de minimale capaciteit onder meer gekoppeld aan vloeroppervlakte, met een minimum per ruimte. Voor een centrale voorziening geldt daarnaast een eis aan de totale capaciteit van de aangesloten verblijfsgebieden. De regels leggen daarmee een ondergrens voor capaciteit en beschikbaarheid vast; zij schrijven niet voor dat een systeem continu op basis van gemeten IAQ per vertrek moet regelen.

Past slimme regeling per vertrek wel binnen de regelgeving?

Een slimme regeling per vertrek is niet op zichzelf een belemmering. De gekozen voorziening moet in het concrete project aantoonbaar aan de geldende bouwkundige, ventilatie-, geluid-, brandveiligheids- en eventuele lokale eisen voldoen. Sensorsturing kan boven op de vereiste basisventilatie worden ingezet om op wisselende bezetting en vochtbelasting te reageren; de onderbouwing en inregeling blijven projectspecifiek.

Waarom is slimme decentrale WTW nog niet vanzelfsprekend bij grote renovatieprojecten?

De praktijk is grotendeels opgebouwd rond bekende systeemtypen, standaardbestekken, vaste verantwoordelijkheden en kostenramingen. Daardoor wordt bij grotere projecten vaak eerst gedacht vanuit een centraal systeem of uit bestaande ventilatiepatronen. Daarnaast zijn slimme decentrale oplossingen minder lang bekend bij veel betrokkenen en vragen zij om een andere ontwerpdialoog: niet alleen “hoeveel lucht voor de woning?”, maar ook “welke ruimte heeft wanneer welke luchtkwaliteit nodig?”. Onbekendheid is geen technisch tegenbewijs, maar wel een reële drempel voor specificatie en aanbesteding.

Betekent regeling op CO2 en vocht dat de basisventilatie kan worden uitgeschakeld?

Nee. Vraagsturing is geen reden om de noodzakelijke basisventilatie weg te laten. Een goed ontwerp combineert een gecontroleerde basisstand met tijdelijke opschaling wanneer CO2, vocht of andere relevante signalen daar aanleiding toe geven. Zo kan het systeem rustiger draaien wanneer de ruimte weinig wordt belast en tijdig opschalen bij slapen, bezoek, koken of douchen.

Welke vragen helpen bij de keuze tussen centraal en slim decentraal?

Begin met het gebouw en gebruik, niet met een voorkeursproduct. Kijk onder meer naar: beschikbare ruimte voor kanalen en schachten; renovatie in bewoonde staat; gevelmogelijkheden; aansluiting van natte ruimten; geluid; brandveiligheid; onderhoud en beheer; gewenste fasering; en de waarde van monitoring of IAQ-sturing per vertrek. Pas daarna is een technische én financiële vergelijking eerlijk.

Waarom loopt CO2 in een slaapkamer tijdens de nacht op?

Iedere slapende persoon ademt voortdurend CO2 uit. In een gesloten slaapkamer stijgt de concentratie wanneer er minder verse lucht wordt toegevoerd dan nodig is om die CO2 af te voeren. Hoe snel dit gebeurt, hangt onder meer af van het aantal personen, de kamerinhoud, eventuele infiltratie en het werkelijke ventilatiedebiet.